Overige rechtsgebieden


Algemeen

Als je niet zeker weet onder welk rechtsgebied jouw probleem valt, neem dan gerust contact met ons op en dan proberen wij het samen met jou op te lossen. Om alvast een kort voorbeeld te geven van welke problemen jij als student kan tegenkomen, hebben wij hieronder enkele vragen gezet waar je mee kan zitten.

 


Wanneer kan ik schadevergoeding vragen?

Wij adviseren ook studenten als zij schade hebben geleden. Schade kan je op veel manieren lichamelijk/financieel/psychisch lijden, te denken valt aan schade doordat iemand zijn afspraken niet nakomt, schade doordat iemand jou onrechtmatig behandelt, etc. Het hangt wel af van vele verschillende omstandigheden en het beste wat je kan doen als student is contact met ons opnemen en wij kijken dan of wij jou doorverwijzen of dat wij zelf jou zaak behandelen.

 


Wil je aangifte doen?

Wie heeft het niet al een keer al dan niet zelf meegemaakt in Amsterdam: een gestolen fiets, een verkeersongeluk of een uit de hand gelopen ruzie tijdens het uitgaan. Ondanks dat je er misschien niet bewust mee bezig bent wordt je als student toch vaak geconfronteerd met het strafrecht. Wanneer je slachtoffer of getuige bent van strafbare feiten kun je aangifte doen. Waar je aangifte kunt doen weet eigenlijk iedereen wel: bij de politie. Dit kan je snel zowel digitaal als telefonisch doen. Weet wel dat aangifte doen niet anoniem is!

Na een aangifte zal de politie waarschijnlijk een onderzoek te starten. Uiteindelijk zal de het Openbaar Ministerie bepalen of ze jouw zaak verder zal behandelen of dat ze jouw zaak seponeren.

Houd er rekening mee dat als je eenmaal aangifte hebt gedaan, deze niet meer in te trekken is. Bovendien is een een valse aangifte strafbaar. Als je toch wilt terugkomen op een beslissing om aangifte te doen kan je wel contact opnemen met de officier van justitie. Voordat je dit doet raden wij je aan contact met ons op te nemen.

Als je anoniem wilt blijven, kan je beter contact opnemen met Meld misdaad Anoniem of 0800-700 bellen. 


Hoe werkt een strafbeschikking

Normaal gesproken worden verdachten be- en veroordeeld door een rechter. Door de inwerkingtreding van de ‘Wet OM-afdoening’, kan in sommige gevallen de Officier van Justitie zelf aan verdachten een straf opleggen. Oorspronkelijk houdt de Officier van Justitie zich bezig met de opsporing en het aanklagen van verdachten. De reden voor deze bevoegdheidsuitbreiding is dat op deze manier de werkdruk van rechters wordt verlicht.

De Officier van Justitie kan de verdachte een straf opleggen in een zogenaamde ‘strafbeschikking’. Hierin staat dan o.a. voor welk strafbaar feit de verdachte wordt veroordeeld en welke gedraging van de verdachte ertoe heeft geleid dat hij hiervoor wordt veroordeeld. Daarnaast vermeldt de strafbeschikking wat voor en straf, maatregel of aanwijzing hem wordt opgelegd.

De soorten en hoogte van straffen die een Officier van Justitie kan opleggen zijn beperkt. Hij kan een taakstraf (van maximaal 180 uren), een geldboete (tot het wettelijk toegestane hoogte), de maatregel onttrekking aan het verkeer, een schadevergoedingsmaatregel voor het slachtoffer of ontzegging van de bevoegdheid om een motorvoertuig te besturen (gedurende maximaal 6 maanden) opleggen. Daarnaast kan de strafbeschikking ‘aanwijzingen’ bevatten waar de verdachte aan moet voldoen. Een voorbeeld van zo’n maatregel is het verplichten van de verdachte dat deze een bedrag stort in het schadefonds voor geweldsmisdrijven.

Het is niet zo dat wanneer een Officier van Justitie bevoegd is om een zaak af te doen, de zaak helemaal niet meer door een rechter beoordeeld kan worden. De verdachte kan namelijk binnen 14 dagen nadat hij de strafbeschikking in handen heeft gekregen, in ‘verzet’ gaan. De verdachte laat dan aan de desbetreffende Officier van Justitie weten dat hij het niet eens is met zijn strafbeschikking, en dan wordt de gehele zaak alsnog door een rechter beoordeeld.


Is mijn werkgever aansprakelijk?

Een serveerster werkt tot laat in een Amsterdams café, wanneer ze de laatste glazen ophaalt, wegglijdt van de doordrenkte vloer en een beroerde val tegen een klant maakt waardoor hij zijn arm breekt . De pizzakoerier die zijn laatste ritje vlot wil bezorgen, geen grip meer kan vinden in de sneeuw en de stilstaande auto schampt. De vakkenvuller die een volle Merlot laat vallen, wat een gigantische vlek achterlaat op de jas van de net passerende klant. Of het jaarlijkse personeelsfeest, waar onder het genot van een drankje het enige leed niet bespaard blijft.

Schade van een derde als gevolg van de uitoefening van werkzaamheden lijkt in een klein hoekje te zitten; het komt geregeld voor. Maar wie is er aansprakelijk voor de geleden schade? Wanneer is het de werkgever die zijn portemonnee moet trekken? En wanneer mag de werknemer het gelag betalen?

De werkgeversaansprakelijkheid is een vorm van risicoaansprakelijkheid – ook wel kwalitatieve aansprakelijkheid genoemd. Dit houdt in dat aansprakelijkheid niet berust op schuld of verwijtbaarheid, maar op een bepaalde kwaliteit; bijvoorbeeld die als rol van werkgever. Artikel 6:170 en 6:171 BW regelen de werkgeversaansprakelijkheid in de relatie werkgever-(niet-)ondergeschikten. Het uitgangspunt is dat de aansprakelijke werkgever draagplichtig is en dus degene is die over moet gaan op het vergoeden van de schade. Of aansprakelijkheid aangenomen kan worden, wordt beoordeeld aan de hand van verschillende vereisten, in de artikelen gesteld.

Allereerst is er aan een derde toegebrachte schade vereist, die het gevolg is van de aan de werknemer toe te rekenen gedraging; in de wet als ‘fout’ gedefinieerd. Om hieraan te voldoen, moet de werknemer een  onrechtmatige daad (6:162) hebben gepleegd.

Om van een ‘onrechtmatige daad’ te kunnen spreken, moet er voldaan zijn aan verschillende criteria. Zo moet er onder andere bewezen worden dat er sprake is van een onrechtmatige handeling (inbreuk op een recht, strijd met de wet/het maatschappelijk verkeer), die toerekenbaar is (o.g.v. schuld of krachtens de wet), en dient er een directe oorzaak-gevolgrelatie te bestaan tussen de gedraging en de geleden schade – het causaal verband. Is er aan een eis niet voldaan, kan er automatisch niet gesproken worden van een onrechtmatige daad, en dus niet van de ‘fout’, in de zin van het relevante artikel. Hetzelfde geldt indien een rechtvaardigingsgrond de kracht aan de toerekening ontneemt.

Buiten de begane fout, is het voor de werkgeversaansprakelijkheid van belang dat de uitoefening van de werkzaamheden de kans op de ‘fout’ heeft vergroot en dat de werkgever zeggenschap had over de gedragingen waarbij de fout is gemaakt. Hierbij valt niet enkel te denken aan het moment van werkelijke uitvoering. Ook voor gebeurtenissen buiten de reguliere werktijd kan de werkgever aansprakelijk zijn.

Voor een private verhouding – waarbij te denken valt aan oppasbaantjes - geldt een beperktere werkgeversaansprakelijkheid. In deze relatie is het van belang dat de fout echt is gemaakt bij de vervulling van de opgedragen taak. Indien de kinderoppas de drang voelt om de scheve dakpannen te verleggen, met schade tot gevolg, is de werkgever niet aansprakelijk.

Is er echter sprake van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer (6:170 lid 3 BW), dan is de werkgever niet langer draagplichtig en moet hij zelf de schade, die de derde geleden heeft, vergoeden.

Aan dit artikel zijn geen rechten te ontlenen, aangezien iedere zaak individueel beoordeeld dient te worden. De feiten en omstandigheden van ieder afzonderlijk geval, vormen de doorslag voor de wijze waarop het recht dient te worden toegepast. Voor een persoonlijk advies kunt u uiteraard altijd contact opnemen met de medewerkers van Recht voor Studenten!

 


 

Direct in contact komen met een van onze medewerkers?